Benno Premsela
hij/hem1920 – 1997
Amsterdammer Benno Premsela was binnenhuisarchitect en in de jaren 1960 voorzitter van het COC. Zijn oorlogservaringen als Joodse man die moest onderduiken, motiveerden hem om openlijk over zijn homoseksualiteit te praten en het maatschappelijke gesprek over seksuele diversiteit aan te gaan. Met zijn televisie-interview in 1964 was hij de eerste die openlijk gezicht gaf aan het activisme van het COC.

= 768) $dispatch('lightbox-open', { src: 'https://walkofpride.amsterdam/wp-content/uploads/2025/12/Benno-Premsela_NA-Rob-C.-Croes-Anefo.jpg', alt: 'Benno Premsela NA Rob C. Croes Anefo' })" />Fotocredits
Portretfoto “Benno Premsela”
Jaartal:1997
Collectie: Publieke domein, met toestemming Amsterdam Museum
Fotograaf: Philip Mechanicus
“Benno Premsela (l) overhandigt petitie tegen bezuiniging individuele subsidies beeldende kunst aan Kamercom.”
Jaartal: 1988
Collectie: Anefo, Nationaal Archief
Fotograaf: Rob C. Croes
Amsterdammer Benno Premsela was binnenhuisarchitect en in de jaren 1960 voorzitter van het COC. Zijn oorlogservaringen als Joodse man die moest onderduiken, motiveerden hem om openlijk over zijn homoseksualiteit te praten en het maatschappelijke gesprek over seksuele diversiteit aan te gaan. Met zijn televisie-interview in 1964 was hij de eerste die openlijk gezicht gaf aan het activisme van het COC.
Biografie
Auteur: Mark Bergsma
Taboeloos milieu
Benno Premsela werd in 1920 in Amsterdam geboren als jongste van drie kinderen in een Joods gezin. Hij kende naar eigen zeggen een onbekommerde jeugd in een open en taboeloos milieu. Zijn ouders, Bernard Premsela en Rosalie de Boers, gaven hun kinderen veel vrijheid en leerden hen al vroeg om zelfstandig keuzes te maken. Zijn vader was huisarts en bovendien de eerste seksuoloog van Nederland; al in de jaren dertig sprak hij op de radio voor de VARA over seksualiteit. Over zijn opvoeding zei Premsela later: “Mijn ouders hebben me nooit iets opgedrongen en nauwelijks iets verboden. Er waren voor ons geen gesloten deuren. Zo’n opvoeding is als een gratis treinkaartje voor je leven.”
Premsela begon aan een studie interieurvormgeving aan de Nieuwe Kunstschool, maar moest die afbreken toen Nederland in 1940 werd bezet. Na de Februaristaking in 1941 doken hij en zijn broer Robert onder. Tijdens die periode hield Premsela zich bezig met het ontwerpen en maken van leren damestassen. Beiden overleefden de oorlog, maar hun ouders en zus Elly niet. Zij werden gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz in Polen, waar ze werden vermoord.
Ontwerper
Na de oorlog ging Premsela aan de slag op de meubelafdeling van De Bijenkorf. Dankzij zijn scherpe gevoel voor inrichting werd hij in 1956 benoemd tot hoofd van de etalage-afdeling. Samen met mede-ontwerper Anni Apol vormde hij een hecht duo. Samen maakten zij etalages die zo opvallend waren dat ze grote bekendheid kregen en mensen er speciaal voor langskwamen zodra ze werden vernieuwd. Centraal in die vormgeving stond het gebruik van moderne kunst, zoals werk van de Cobra-groep.
In een interview uit 1962 deelde Apol in Het Parool een inkijkje in Premsela’s onconfessionele visie: ‘Hij heeft een revolutie bewerkstelligd toen hij zes jaar geleden begon, omdat hij de etalage benaderde vanuit de binnenhuisarchitectuur en de kast ziet als een ruimte, waarin iets aan de hand moet zijn.’ Minimalisme was het toverwoord.
In 1956 begon ook zijn samenwerking met ontwerper Jan Vonk. Samen richtten ze begin jaren zestig Bureau Premsela Vonk op, waarmee ze de vormgeving en huisstijl van uiteenlopende bedrijven verzorgden, waaronder de herinrichting van kantoren van ABN AMRO. Ook gaven ze in 1965 sociëteit De Schakel een metamorfose. Zijn bekendste ontwerp is de Lotek-lamp uit 1982: een eenvoudige, vierkante lamp, opgebouwd uit ijzerdraad en papier, die hij ontwierp uit frustratie over lampen die niet prettig waren om bij te lezen. In zijn ontwerpen stond de gebruiker voor Premsela altijd centraal.
Geen voorbeelden
Tijdens zijn onderduik was Premsela zich volledig bewust geworden van zijn geaardheid. De oorlog en de discriminatie die hij meemaakte, gaven hem na de bevrijding de moed om open te zijn over zijn homoseksualiteit: ‘Omdat ik die oorlogservaring had gehad dacht ik bij mijzelf: er kan mij natuurlijk helemaal niets meer gebeuren.’ Alles wat daarna kwam, voelde minder bedreigend dan wat hij al had doorstaan. Angst, ook op sociaal gebied, speelde geen rol meer: ‘Het kon me niet meer schelen wat mensen van mij vonden.’
Premsela kwam terecht in een homosubcultuur die zich grotendeels in het geheim afspeelde. Die wereld had volgens hemzelf wel iets aantrekkelijks, maar bood verder weinig houvast bij het vormen van een eigen identiteit of zoals hij zelf zei: ‘Het moeilijkste voor mensen in een situatie zoals ik, was dat we geen voorbeelden hadden. [En] als je zonder voorbeelden leeft, moet je alles zelf bedenken en dat kost wel enige zure lessen.’ In 1947 werd hij daarom lid van de Shakespeare Club, waaruit in 1949 het COC voortkwam.
COC en Dialoog
De beginjaren van het COC, onder de eerste voorzitter Niek Engelschman (alias Bob Angelo), werden gekenmerkt door een voorzichtige koers van aanpassing, gericht op acceptatie en het vermijden van provocatie. Premsela had daar heel andere ideeën over. Al in de jaren vijftig zette hij zich via de zogenoemde Kleine Kring – een culturele commissie binnen het COC – in om de organisatie zichtbaarder te maken naar de buitenwereld. Vanaf 1954 organiseerde de Kleine Kring bijvoorbeeld bijeenkomsten waarbij ook buitenstaanders werden uitgenodigd, zoals familieleden en journalisten.
In 1962 nam Premsela het voorzitterschap van Niek Engelschman over, een functie die hij tot 1971 zou bekleden. Onder zijn leiding begon het landelijke bestuur zich nadrukkelijker naar buiten toe te presenteren. Zo verscheen Premsela op oudejaarsavond 1964 in het VARA-televisieprogramma Achter het Nieuws, waar hij namens het COC de stichting Dialoog en het gelijknamige tijdschrift introduceerde. Dat optreden was revolutionair: na Gerard Reve was hij pas de tweede man die openlijk en herkenbaar op televisie over zijn homoseksualiteit sprak. Later blikte hij terug op dat moment:
‘Ik kwam in ’64 voor het eerst met naam en toenaam op de televisie. Dat heb ik bewust gedaan. Daarvóór werden homofielen van achteren of in de schaduw opgenomen. Mijn voorganger had een schuilnaam. (…) Die schuilnamen, dat was helemaal niet gek. Dat kan niemand zich nu meer voorstellen. Maar met de druk van de maatschappij toen… je raakte je baan kwijt. Het zat er gewoon niet in.’’
Kunstpaus
Nadat hij zijn werk als vormgever en binnenhuisarchitect aan de wilgen had gehangen, had hij zijn handen vol aan talloze bestuursfuncties en bijbaantjes. Volgens zijn vrienden kon hij geen nee zeggen. Zo was hij bestuurslid van het Nationaal Ballet, voorzitter van het bestuur voor het Fonds van beeldende kunsten, en had hij een plek in de aankoopcommissie van het Stedelijk Museum. Het was niet gek dat hij wel werd omschreven als de ‘kunstpaus’.
Gedurende zijn leven groeide Benno Premsela al uit tot een begrip, niet alleen binnen culturele en emancipatoire kringen, maar ook daarbuiten. In 1995 kreeg hij door prins Bernhard de Zilveren Anjer overhandigd voor zijn vele bestuurswerk. Het jaar daarop werd hem in een bomvol Carré door Amsterdam de Zilveren Medaille van de stad gegeven als blijk van waardering voor alles wat hij had gedaan voor de kunsten en emancipatie.
Zelf was hij redelijk nuchter onder alle aandacht. Vlak voor zijn dood op 76-jarige leeftijd verklaarde hij: ‘Sterven doe je op de wijze waarop je hebt geleefd. Positief. Zonder dikdoenerij. Met een zekere nonchalance. Voor 1920 ben ik er heel lang niet geweest – en straks zal ik er heel lang niet meer zijn. Dit was Benno Premsela, een eenmalige flits in de kosmos.’ Zijn crematie vond dan ook – op eigen verzoek – in stilte plaats.
Literatuur en bronnen
‘Premsela, Benno (1920-1997)‘, E. Broeksma-van Capelle. Biografisch Woordenboek van Nederland, KNAW Huygens, 2013.
Dialoog 1, 1 (1965).
‘Koninklijke goedkeuring na tien jaar. COC wordt erkend’. In de Volkskrant, 18 september 1973.
‘Het publiek stond vol spanning te wachten als de Bijenkorfetalages van Benno Premsela onthuld werden,’ Sjeng Scheijen. Parool, 30 december 2023.