Gesina Dekker
zij/haar1772 – 1801
De Amsterdamse Gesina Decker/Dekker verliet haar man en koos voor fysieke intimiteit met vrouwen. Voor deze ‘ontuchtige handelingen’ werd zij zes jaar opgesloten in het Spinhuis, een tuchthuis voor vrouwen.

= 768) $dispatch('lightbox-open', { src: 'https://walkofpride.amsterdam/wp-content/uploads/2025/10/010001000261-scaled.jpg', alt: 'Spinhuys' })" />Fotocredits
Scan uit “Secreet confessieboek 1765-1796”, p.171.
Jaartal: 1796
Collectie: Archief van Schout en Schepenen. Stadsarchief, Amsterdam
Het interieur van het Spinhuis, Spinhuissteeg 1, aan de kant van de Korte Spinhuissteeg. De vrouwen aan het werk.
Jaartal: 1783
Vervaardiger: H.P. Schouten
Collectie: Atlas Splitgerber, Stadsarchief, Amsterdam
De Amsterdamse Gesina Decker/Dekker verliet haar man en koos voor fysieke intimiteit met vrouwen. Voor deze ‘ontuchtige handelingen’ werd zij zes jaar opgesloten in het Spinhuis, een tuchthuis voor vrouwen.
Biografie
Auteur: Walt Esquina
In september 1796, in het Amsterdam van de vroege Bataafse Republiek, verschijnt in de archieven van de schout een zaak die op het eerste gezicht slechts een kort juridisch dossier lijkt, maar bij nadere lezing een indringend beeld geeft van het leven van vrouwen in de Jordaan. In het Secreet Confessieboek van het Archief van Schout en Schepenen worden vier vrouwen vermeld: Gesina Adriana Dekker, Engeltje Blauwpaard, Willemijn van der Steen en Pieternel Groenhof. Hun namen worden slechts kort opgeschreven, maar achter die administratieve regels gaat een wereld schuil van werk, armoede, sociale afhankelijkheid en stedelijke controle.
Het huwelijkse leven
Gesina Adriana Dekker, ook wel Decker, is ongeveer vierentwintig jaar oud wanneer zij in deze zaak verschijnt. Zij was in 1789 getrouwd met Jan Hendrik Willink. Dat huwelijk werd niet zonder bezit gesloten. Gesina bracht zelf een aanzienlijke inbreng mee, waaronder sieraden, kleding en geld. Haar bezittingen werden nauwkeurig vastgelegd en bestonden onder meer uit een beugeltas met metalen sluiting, een snuifdoosje, een eau de Reine doosje, een naaikoker en diverse sieraden. Daarnaast bezat zij een grote hoeveelheid kledingstukken, waaronder negentien halsdoeken, drie mantels en tien mutsen.
Dit wijst op een vrouw die, ondanks haar sociale positie, niet zonder middelen haar huwelijk inging. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, van wie er één vroeg overleed. Tegen 1796 is het huwelijk feitelijk uiteengevallen. Gesina leeft niet meer bij haar echtgenoot en beschrijft dit zelf als het moment waarop zij van hem “is afgelopen”, omdat zij niet langer met hem “accordeerde”. Het huwelijk bestaat juridisch nog, maar in de praktijk is de relatie verbroken.
Uit het huwelijk werden twee dochters geboren:
- Mina Francisca Willink (1791)
- Gesina Willink (1793), vroeg overleden
De vrouwen van de Brillegang (Amsterdam, 1796)
Gesina bevindt zich daarna in een periode van beweging door de stad, zoals veel alleenstaande vrouwen in Amsterdam deden. Zij verblijft onder andere bij een vrouw die in de bronnen bekendstaat als “Franse Mie” en komt uiteindelijk terecht in de Brillegang bij de Anjeliersstraat, in het huis van Willemijn van der Steen.
Willemijn van der Steen is naaister en bewoonster van het huis waar het verhaal zich verder afspeelt. Haar woning is klein en ligt in een dichtbevolkt deel van de Jordaan, waar wonen en werken vaak door elkaar lopen. Binnen dit huis verblijven of komen regelmatig meerdere vrouwen samen.
Engeltje Blauwpaard, 27 jaar en dochter van een kruier, is een terugkerende aanwezigheid. Zij beweegt zich tussen werk en sociale contacten.
Pieternel Groenhof, 46 jaar en afhankelijk van diaconale ondersteuning, leeft in een kwetsbare positie en is vaak aangewezen op tijdelijke verblijven en sociale netwerken van anderen.
Binnen deze woning ontstaat geen formele gemeenschap, maar een informele leefwereld waarin vrouwen elkaar ondersteunen, samen werken en elkaar opzoeken uit noodzaak en nabijheid.
De Jordaan van deze tijd is een dichtbevolkte wijk met smalle straten en kleine woningen. Privacy is beperkt en sociale controle groot. Wat zich achter een voordeur afspeelt, blijft zelden volledig verborgen. In deze context ontstaat de situatie die uiteindelijk de aandacht van de stedelijke autoriteiten trekt.
Morele veroordeling
In september 1796 grijpt de Amsterdamse schout in. Er is geen individuele aanklager bekend, de zaak wordt ambtshalve vervolgd. Dat betekent dat het stadsbestuur zelf besluit op te treden, vermoedelijk op basis van signalen uit de buurt of observaties die als moreel of sociaal problematisch werden gezien. In de achttiende -eeuwse stad vielen gedragingen die als “onzedelijk” werden beschouwd niet alleen onder het privéleven, maar ook onder de openbare orde. De grens tussen moreel oordeel en juridische vervolging was dun.
De schout en zijn dienaren betreden het huis in de Brillegang en nemen de aanwezige vrouwen in hechtenis. Het moment wordt niet beschreven als een gewelddadige inval, maar als een formele en onvermijdelijke ingreep van stedelijk gezag. De overgang van een private leefruimte naar een juridische situatie voltrekt zich onmiddellijk. Daarna volgen de verhoren. Gesina wordt als eerste ondervraagd. Haar verklaring vormt de kern van het dossier. Zij beschrijft dat in het huis regelmatig vrouwen bijeenkwamen en dat er lichamelijke intimiteit plaatsvond tussen aanwezigen. Haar woorden worden zorgvuldig opgeschreven in het confessieboek, waarin niet alleen feiten worden vastgelegd, maar ook morele en juridische interpretaties.
Tussen werkelijkheid en oordeel
Engeltje Blauwpaard verklaart dat zij aanwezig was, maar positioneert zichzelf als bezoeker en helper. Willemijn van der Steen, als bewoonster van het huis, probeert aanvankelijk afstand te nemen van de gebeurtenissen, maar erkent later dat zij niet volledig onwetend was van wat er gebeurde. Zij verwijst onder meer naar de sfeer in het huis en mogelijk drankgebruik als verklarende omstandigheden.
Pieternel Groenhof beschrijft haar betrokkenheid vanuit een positie van afhankelijkheid en sociale kwetsbaarheid. Haar verklaring benadrukt niet zozeer verantwoordelijkheid, maar de omstandigheden waarin zij zich bevond. De verklaringen samen vormen geen eenduidig verhaal, maar een mozaïek van perspectieven. De waarheid ontstaat in deze context niet als vaststaand feit, maar als resultaat van ondervraging, herinnering en juridische ordening.
Het Spinhuis
Na de verhoren volgt de uitspraak van de schepenen. De straffen zijn aanzienlijk. Gesina Adriana Dekker wordt veroordeeld tot zes jaar opsluiting, Engeltje Blauwpaard eveneens tot zes jaar, Pieternel Groenhof tot vier jaar en Willemijn van der Steen tot tien jaar. De verschillen in straf weerspiegelen zowel de rol binnen het huis als de interpretatie van verantwoordelijkheid door de autoriteiten.
De vrouwen worden overgebracht naar het Spinhuis in Amsterdam, een tuchthuis voor vrouwen waar arbeid en discipline centraal staan. Het Spinhuis is geen gevangenis in moderne zin, maar een instelling waarin vrouwen worden ingezet voor spin- en naaiwerk onder streng toezicht. Het doel is zowel straf als heropvoeding. In deze omgeving verdwijnen individuele levens in een collectieve structuur van arbeid, regelmaat en controle.
Voor Gesina betekent dit een ingrijpende breuk in haar levensloop. Waar zij eerder bewoog tussen huwelijk, stedelijke netwerken en persoonlijke relaties, wordt zij nu onderdeel van een institutioneel systeem waarin haar identiteit wordt herleid tot haar status als veroordeelde vrouw. Haar persoonlijke geschiedenis wordt opgenomen in een administratief kader dat haar leven niet langer beschrijft, maar classificeert.
De kwetsbare positie van vrouwen
Wat deze zaak bijzonder maakt, is dat zij een zeldzaam inkijkje biedt in het leven van vrouwen in de stedelijke onderklasse van de achttiende eeuw. Gesina Adriana Dekker is geen uitzonderlijke historische figuur, maar juist daardoor representatief. Haar leven laat zien hoe kwetsbaar en veranderlijk de positie van vrouwen kon zijn in een stad waar sociale controle, economische afhankelijkheid en juridische macht nauw met elkaar verweven waren.
In de archieven blijft uiteindelijk slechts een fragment over: een huis in de Brillegang, vier vrouwen die elkaar tijdelijk vonden in een gedeelde leefwereld en een stedelijk rechtssysteem dat ingreep en hun levens herstructureerde. Gesina staat daarbij centraal als eerste stem in het dossier, niet omdat zij de belangrijkste of meest invloedrijke was, maar omdat haar verklaring het begin vormt van het verhaal dat hen allen in de archieven heeft achtergelaten. Zo blijft haar leven bestaan in de vorm van een registratie: niet als afgerond verhaal, maar als een moment waarop een gewoon bestaan zichtbaar werd in de taal van het recht en daarna weer verdween in de stilte van onze geschiedenis.
Over labels
In de achttiende eeuw keek men naar liefde tussen vrouwen anders dan nu: er bestond nog geen moderne identiteit zoals ‘lesbisch’ of ‘biseksueel’. Men sprak eerder over ‘onzedelijkheid’, ‘sodomie’ of ‘tribadie’. Tribadie is een oude term voor lesbische liefde of seksuele handelingen tussen vrouwen, afgeleid van ’tribein’, wat wrijven betekent en op zichzelf afgeleid is van een Grieks stamwoord.
Dergelijk gedrag werd gezien als morele afwijking of strafbaar feit, niet als een vorm van identiteit of liefde. De term “lesbisch” in seksuele betekenis komt pas in zwang in de negentiende eeuw, afgeleid van een hernieuwde interesse in het werk van de dichter Sappho. De term “biseksueel” verschijnt voor het eerst in 1892 in het werk van de Duitse psychiater Richard von Krafft-Ebing.
Literatuur en bronnen
‘Vier Lesbiennes,’ Stadsarchief Amsterdam.
‘538 1765 apr. 6-1796 dec. 29‘, Confessieboek, Archief van de Schout en Schepenen, Stadsarchief Amsterdam.
‘Homoseksualiteit in het Spinhuis,’ Gert Hekma, Het Spinhuisboek, 2014: p. 48-50.