Skip to content
18

Niek Engelschman

hij/hem

1913 – 1988

Pionier en verzetsman Niek Engelschman wilde de gemeenschap verenigen, informeren en het maatschappelijke gesprek over seksuele diversiteit op gang brengen. In 1946 richtte hij het COC op, de oudste nog bestaande organisatie voor de regenbooggemeenschap ter wereld.

Lees meer
Nico Engelschman portret
Niek Engelschman NA Rob Croes Anefo

Fotocredits

“Nico Engelschman”
Jaartal: ca. Jaren ‘30
Collectie: Publieke domein
Fotograaf: Onbekend

“(Scheidend) COC-voorzitter N. Engelschman (l) krijgt van minister Brinkman Koninklijke onderscheiding i.v.m. 40-jarig bestaan COC”
Jaartal: 1986.
Collectie: Anefo, Nationaal Archief.
Fotograaf: Rob C. Croes

Biografie

Auteur: Mark Bergsma

Het revolutionair-socialisme als leerschool

Nico (Niek) Engelschman was een geboren en getogen Amsterdammer en de oudste van vijf zoons van Nathan Engelschman en Hendrika van der Star. Hoewel zijn vader Joods was en zijn moeder Lutheraans, speelde religie in het gezin geen rol. Geldgebrek des te meer: Nico groeide op in armoede en kon daardoor niet naar de middelbare school.

Al op zijn dertiende ging hij werken als kantoorbediende en sloot hij zich aan bij de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Tegelijkertijd ontwikkelde hij een groeiend besef van sociale en klassenongelijkheid. Zo rolde hij begin jaren dertig de wereld van het socialisme in. Via de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) schoof hij geleidelijk verder naar links, tot hij uiteindelijk uitkwam bij de Leninistische Jeugd Garde (LJG), de jongerenorganisatie van de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) rond politicus en vakbondsman Henk Sneevliet.

Nico ging volledig op in de revolutionair-socialistische jeugdbeweging. Naast sport, zang en het bijwonen van lezingen en studieweekenden bekleedde hij bestuursfuncties op lokaal en landelijk niveau en werkte hij als redacteur voor socialistische bladen als Arbeidersjeugd en De Jonge Leninist. Ook schreef hij een brochure over jeugdwerkloosheid en een kort toneelstuk over fascistische terreur. Zijn betrokkenheid bleef niet bij woorden: na Hitlers machtsovername in 1933 hielp hij Duitse socialisten bij hun vlucht naar Nederland.

‘Ik wilde strijden’

Door de vele werkzaamheden had Nico zijn gevoelsleven lange tijd weg kunnen schuiven, maar op zijn 24ste kon hij niet langer om zijn homoseksuele gevoelens heen. Hij voelde zich eenzaam, met name omdat zijn geaardheid steeds moest verbergen. Nico vond bovendien weinig aansluiting bij de (zeer beperkte) Amsterdamse homoscene:  ‘Ik herinner me uit die tijd de mateloze ergernis over de uitgaande homo’s, die zich alleen voor kleren en het laatste liedje van Zarah Leander leken te interesseren. Ik wilde strijden voor de maatschappelijke acceptatie van homoseksuelen.’

Nico stortte hij zich allereerst op de zoektocht naar herkenning: hij verdiepte zich in de geschiedenis van homoseksualiteit en las werk van homoseksuele schrijvers. Ook kwam hij in contact met de vroege homoactivist Jacob Schorer die al jaren streed tegen het beruchte artikel 248bis. Het inspireerde hem om het geheel over een andere boeg te gooien. Met de zegen van Henk Sneevliet stopte hij met zijn politieke activisme om zich volledig te richten op de rechten van homoseksuelen, een groep die hij als een onderdrukte minderheid zag.

Levensrecht

In 1939 publiceerde advocaat Benno Stokvis Homosexueelen: 35 autobiographieën, een boek waarin hij opkwam voor de moeilijke positie van homoseksuelen in Nederland. Nico leverde een bijdrage met zijn levensverhaal en noemde het later ‘een revolutionaire uitgave waar destijds maar weinig uitgevers zich aan durfden te wagen.’

Het bracht hem op het idee een tijdschrift op te richten. Nico stuurde onder zijn pseudoniem Bob Angelo een omzendbrief naar mogelijke lezers die hij via contactadvertenties had leren kennen. De reacties waren positief en in maart 1940 verscheen het eerste nummer van Levensrecht. Daarmee kwam het blad al snel op de radar van de Amsterdamse zedenpolitie, waar het hoofd dreigend opmerkte: ‘ik zal jullie in de gaten houden, viezerikken.’ Maar de Duitse bezetting in mei 1940 maakte er al snel een einde aan. Op aandringen van Jef Last vernietigde Nico het volledige adressenbestand, nadat hij het eerst uit zijn hoofd had geleerd. Trouwe aan zijn activistische aard sloot hij zich vervolgens aan bij het verzet.

De Shakespeare Club en het COC

Nico kwam strijdvaardig uit de oorlog. Samen met een van zijn broers had hij illegale kranten gestencild, waaronder De Vonk, en onderduikadressen geregeld voor Joodse vrienden. In 1946 blies hij Levensrecht nieuw leven in: ‘Ik dacht dat het afgelopen was met de vooroordelen van voor de oorlog en wilde als fanatiek socialist ook de grondwettelijke rechten van vrijheid van vergaderen, vereniging en drukpers voor de homo’s opeisen.’

Dat bleek al snel een misvatting. Het naoorlogse Nederland werd misschien nog wel meer dan daarvoor geregeerd door preutsheid en vijandigheid jegens homoseksualiteit. Nico wilde meer doen en ‘menschen uit onze gevoelswereld’ samenbrengen. Dit leidde in december 1946 tot de oprichting van de Shakespeare Club samen met Jaap van Leeuwen en Jo van Dijk. De autoriteiten hielden de organisatie scherp in de gaten. Het kwam geregeld voor dat agenten in burger bijeenkomsten bijwoonden. Ook moest Nico zich regelmatig op het politiebureau verantwoorden. ‘Maar ze hebben ons er nooit op kunnen betrappen dat we een bepaling overtraden. In Den Haag werd op hoog niveau geprobeerd de vereniging te verbieden, maar de Amsterdamse commissaris voerde aan dat het verstandiger was de zaak te reguleren.’ In 1949 werd de Shakespeare Club omgevormd tot het Cultuur- en Ontspanningscentrum (C.O.C.), dat op dat moment met zo’n duizend leden tot de grootste homo-organisaties ter wereld behoorde.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Onder leiding van Nico koos het COC in de beginjaren voor een voorzichtige koers van aanpassing. De organisatie wilde vooral als een respectabele club worden gezien, waardoor al te uitgesproken gedrag werd afgekeurd. Tegelijkertijd bleef Nico onverminderd streven naar gelijkwaardigheid: hij wilde dat homoseksuelen als volwaardige, gerespecteerde burgers konden deelnemen aan de samenleving. Daarbij beriep hij zich op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN (1948), die vanaf 1951 als leidraad diende voor de organisatie. In 1962 droeg hij het voorzitterschap over aan Benno Premsela, waarna het COC een meer publieke rol tegemoet ging. Nico werd benoemd tot erevoorzitter.

Toen Nico in 1986 werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, keek hij terug op zijn vroege activisme: ‘Ik vond dat ik mijn doel bereikt zou hebben als artikel 248 bis zou verdwijnen. Dat ik dat nog zou meemaken, had ik niet gedacht. Maar het ging natuurlijk om veel meer dan dat artikel.’ Twee jaar later overleed hij op 74-jarige leeftijd, maar zijn betekenis raakte niet in vergetelheid. In 1991 eerde het COC hem postuum met de instelling van de Bob Angelo-penning, die jaarlijks wordt uitgereikt aan een persoon of organisatie die zich bijzonder heeft ingezet voor de emancipatie van de lhbtiq+-gemeenschap.

In 2025 werd Nico Engelschman bovendien, ter gelegenheid van 750 jaar Amsterdam, door Het Parool uitgeroepen tot een van de veertien Grootste Amsterdammers.

Literatuur en bronnen

Korte film over de beginperiode van het COC. In dit teken. Regie: Jan Lemstra en Piet Henneman, 1949.

‘Oprichter en erevoorzitter COC overleden: persoonlijke ontmoeting met Niek,’ Henri Methorst. Sek (12), 1998: p. 4.

Levensvreugd door levensrecht : de beginjaren van de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC, 1946-1961. Hans Warmerdam ; begel. : D.F.J. Bosscher. Groningen : RUG, 1985.

De veertien grootste Amsterdammers,’ Marcel Wiegman. Parool, 2025.

Tijdschrift Vriendschap, 1949 – 1953.

Website Bob Angelo Fonds.

 

Secret Link